Home » Art. 18 RWM

1
Onverminderd het bepaalde in artikel 3 van deze regeling wordt van het verbod in artikel 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26, eerste lid, en 31, eerste lid, van de wet vrijstelling verleend voor het doen binnenkomen of uitgaan, vervoeren, voorhanden hebben en overdragen van:
a.
vuurwapens die voor gebruik als zodanig ongeschikt zijn gemaakt op de wijze, beschreven in Bijlage I ‘Technische specificaties voor de onbruikbaarmaking van vuurwapens’ bij de Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403 van de Commissie van 15 december 2015 tot vaststelling van gemeenschappelijke richtsnoeren betreffende normen en technieken om te waarborgen dat onbruikbaar gemaakte vuurwapens voorgoed onbruikbaar zijn (PbEU 2015, L333/62);
b.
vuurwapens die zijn vervaardigd vóór 1 januari 1870;
c.
vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers, pistolen en combinatiewapens die ontworpen en bestemd zijn om te worden geladen met:
1º. losse kogels en zwart kruit; of
2º. patronen, uitgezonderd randvuurpatronen in het kaliber .22 en centraalvuurpatronen;
d.
vuurwapens in de vorm van geweren en pistolen, niet zijnde revolvers, die ontworpen en bestemd zijn om te worden geladen met patronen waarvan de voortdrijvende lading bestaat uit zwart kruit of alleen ontstekingsas, met uitzondering van randvuurpatronen in het kaliber .22 met een patroonlengte van meer dan 18 mm;
e.
geschut dat ontworpen en bestemd is om te worden geladen met losse projectielen en zwart kruit, los of in kardoezen;
f.
kennelijk gebruikte lege patroon- en kardoeshulzen bestemd voor dan wel deel uitmakend van een verzameling;
g.
patroonmagazijnen en patroonhouders voorzover het personen betreft die bevoegd zijn de wapens of de munitie waarvoor deze voorwerpen bestemd zijn voorhanden te hebben;
h.
[Red: vervallen;]
i.
projectielen en hulzen, eventueel samengevoegd tot patronen, die een onderdeel vormen van een monster-, verzamel- of overzichtsbord, voor zover zij niet zijn voorzien van een ontstekende, voortdrijvende of brisante lading en voorzover zij op deugdelijke wijze permanent op het bord bevestigd zijn.
2
De vrijstellingen zoals vermeld onder c, d en e zijn uitsluitend van toepassing op wapens die zijn vervaardigd vóór 1 januari 1945.
3
De vrijstelling van het eerste lid, aanhef en onder a, geldt voor vuurwapens die na 8 april 2016 voor gebruik als zodanig ongeschikt zijn gemaakt uitsluitend indien uit een door een erkenninghouder of de in het bewijs van erkenning genoemde beheerder afgegeven verklaring blijkt dat het betreffende vuurwapen voor gebruik als zodanig ongeschikt is gemaakt op de wijze, beschreven in Bijlage I ‘Technische specificaties voor de onbruikbaarmaking van vuurwapens’ bij de Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403 van de Commissie van 15 december 2015 tot vaststelling van gemeenschappelijke richtsnoeren betreffende normen en technieken om te waarborgen dat onbruikbaar gemaakte vuurwapens voorgoed onbruikbaar zijn (PbEU 2015, L333/62). De vrijstelling geldt tevens voor vuurwapens die vóór 8 april 2016 voor gebruik als zodanig ongeschikt zijn gemaakt volgens deze bepaling zoals deze luidde vóór 8 april 2016, tenzij de vuurwapens naar een andere lidstaat worden overgebracht of op de markt zijn gebracht, zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de voornoemde verordening.
4
Een wijziging van de in het eerste lid genoemde bijlage gaat voor de toepassing van de Regeling wapens en munitie gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 18a

 

1
Van het verbod in artikel 22, eerste lid, van de wet, wordt vrijstelling verleend voor het vervoeren van munitie en onderdelen van munitie van categorie II, uitsluitend voor de houders van een verlof tot vervoer van munitie van categorie III.
2
Van het verbod in artikel 26, eerste lid, van de wet, wordt vrijstelling verleend voor het voorhanden hebben van munitie en onderdelen van munitie van categorie II, uitsluitend voor de houders van een verlof tot het voorhanden hebben van munitie van categorie III.
3
De vrijstellingen ingevolge het eerste en het tweede lid, gelden slechts voor zover:
a.
de bevoegdheden van de houder van het verlof tot voorhanden hebben, onderscheidenlijk het verlof tot vervoer, met betrekking tot munitie van categorie II niet verder reiken dan die met betrekking tot de munitie van categorie III;
b.
de munitie of onderdelen van munitie passen binnen de op het verlof omschreven specialisatie;
c.
munitie met een kaliber boven de 12.7 mm (.50) niet voorzien is van brisante ladingen; en
d.
munitie met een kaliber boven de 19 mm niet voorzien is van brisante ladingen en bovendien geen voortdrijvende ladingen bevat.
Artikel 18b

 

1
Van het verbod van artikel 13, eerste lid, artikel 14, eerste lid, artikel 22, eerste lid, en artikel 26, eerste en vijfde lid, van de wet, wordt vrijstelling verleend aan bewakingspersoneel van geldtransporten als bedoeld in artikel 1, onder i, van de Verordening (EU) Nr. 1214/2011 van de Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende professioneel grensoverschrijdend transport van eurocontanten over de weg tussen lidstaten van de eurozone (PbEU 2011, L316) voor het doen binnenkomen en doen uitgaan, het vervoeren en het voorhanden hebben van wapens van categorie I, II, III en IV en de bijbehorende munitie tijdens grensoverschrijdend transport van eurocontanten over de weg als bedoeld in artikel 1, onder b, van de genoemde verordening, voor zover het recht van de lidstaat van herkomst, bedoeld in artikel 1, onder e, van de verordening, de lidstaat van doorvoer, bedoeld in artikel 1, onder g, van de verordening, of de lidstaat van ontvangst, bedoeld in artikel 1, onder f, van de verordening, toestaat of verplicht dat genoemd bewakingspersoneel wapens draagt.
2
De vrijstelling van het eerste lid geldt slechts, voor zover:
a.
de wapens bij betreding van Nederlands grondgebied aan boord van het geldtransportvoertuig, bedoeld in artikel 1, onder j, van de verordening, worden opgeborgen in een brandkast voor wapens die voldoet aan de norm, genoemd in artikel 6, tweede lid, van de verordening en;
b.
de wapens gedurende het gehele transport op Nederlands grondgebied ontoegankelijk blijven voor het bewakingspersoneel, bedoeld in het eerste lid.

 

Art. 18 Schema